Als een kind bij de geboorte gezond is, gaat het kind regelmatig op controle bij het consultatiebureau. Hier wordt de ontwikkeling van het kind gevolgd, doorgaans met behulp van het ‘Van Wiechenschema’. Dit schema bevat een indeling van ontwikkelingsmijlpalen die een kind de eerste 4 jaar moet bereiken. De mijlpalen hebben een ruime marge. Deze mijlpalen, ook wel ontwikkelingskenmerken genoemd, zijn zo gerangschikt dat minimaal 90% van de gezonde Nederlandse kinderen de mijlpaal bereikt heeft op de leeftijd die erbij hoort.
Pas als er meerdere mijlpalen niet op tijd gehaald worden, kan een consultatiebureau-arts vermoeden dat het kind een ontwikkelingsachterstand of ontwikkelingsstoornis heeft. De arts let op het moment waarop het kind iets kan, maar ook op de manier waarop hij iets doet. Ook let de arts op het gedrag van het kind.
In het geval van een ontwikkelingsachterstand zal een arts meestal eerst onderzoeken of er geen onderliggende ziektes zijn die de ontwikkelingsachterstand verklaren.
Het kan ook zijn dat een kind bij of vlak na de geboorte al bijzonderheden vertoont. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn geweest van zuurstofgebrek bij de geboorte of complicaties tijdens de zwangerschap. Deze kinderen zijn meestal onder behandeling van een kinderarts die de ontwikkeling van het kind nauwlettend in de gaten houdt.
Wanneer er een duidelijk vermoeden van een ontwikkelingsachterstand of ontwikkelingsstoornis is, zullen het kind en de ouders verwezen worden voor verder onderzoek en/of behandeling.
Het kan zijn dat de behandelend arts ervoor kiest, afhankelijk van de leeftijd van het kind en de ernst van de achterstand, om af te wachten of de ontwikkeling versneld op gang komt. De arts kan bijvoorbeeld verwijzen naar een kinderfysiotherapeut, om de motorische ontwikkeling te stimuleren waardoor het kind zich mogelijk sneller ontwikkelt.
Wanneer een kind waarschijnlijk een algehele ontwikkelingsachterstand heeft, dan kan de mate van achterstand gemeten worden met ontwikkelingstesten. Deze worden door een orthopedagoog of psycholoog afgenomen. Zij zijn vaak verbonden aan ziekenhuizen, kinderdagcentra, revalidatiecentra of MEE.
Een ontwikkelingstest brengt verschillende factoren in beeld, zoals de grove en fijne motoriek, spraaktaalontwikkeling, cognitie en sociale ontwikkeling. Het kan ook zijn dat deelonderzoeken door bijvoorbeeld een fysiotherapeut of logopedist worden gedaan. Aan de hand van de uitslag van het ontwikkelingsonderzoek kan in kaart gebracht worden op welke gebieden extra begeleiding en behandeling nodig is.
Door de ontwikkeling regelmatig te testen, wordt een beeld verkregen van de snelheid waarmee het kind zich ontwikkelt.
Het kan zijn dat er onderzoek wordt gedaan naar de oorzaak van de ontwikkelingsachterstand. In een dergelijk onderzoek wordt gezocht naar chromosoomafwijkingen en stofwisselingsziekten. Ook wordt aan de hand van uiterlijke kenmerken van het kind geprobeerd een zogenoemde syndroomdiagnose te stellen. Men spreekt van een syndroom bij een bekende combinatie van verschijnselen met een gemeenschappelijke oorzaak.
Wanneer ouders zich zorgen maken over de ontwikkeling van hun kind, kunnen zij contact opnemen met bijvoorbeeld het consultatiebureau, de huisarts, een kinderarts, met Integrale Vroeghulp (regio Tilburg: Loket Vroeghulp Kind en Jeugd, zie
www.loketvroeghulpkindenjeugd.nl) of met MEE.
MEE regio Tilburg biedt ondersteuning aan kinderen met een ontwikkelingsachterstand en hun ouders. In het kader van de dienstverlening kan ook onderzoek gedaan worden naar de ontwikkeling van het kind.
Bron:
Natascha Jansen,
Ontwikkelingsachterstand. Een gids voor bezorgde ouders. 2006.
Zie ook:
ontwikkelingsstoornis